Sinds mijn ouders mij vertelden waar dat vlees op mijn bord eigenlijk vandaan komt, ben ik overtuigd vegetariër. En als driejarige kon ik de papa en de mama heel gemakkelijk irriteren met de vraag welk dier er deze keer in de pot zat.

Ik eet dus al zo lang ik het mij kan herinneren geen dieren. Het was niet altijd eenvoudig om mijn oma te overtuigen dat ik de ballekes in de soep niet op mijn bord wilde en dat ik toch liever een boterham met kaas at dan een met preparé. Mijn ouders lieten mij gelukkig doen en bakten zelfs vaak groentenburgers, speciaal voor mij.

Ik moest en moet steeds op dwaze vragen antwoorden als “En eet je wel kip/tonijn/mosselen?”, maar dat is het lot van een vegetariër. Wij moeten keer op keer uitleggen dat als we zeggen dat we geen dieren eten, ook echt geen dieren eten. Enfin ja, ik weet natuurlijk dat er mensen zijn die zich vegetariër noemen maar eigenlijk pescotariërs zijn. Het bekt niet zo goed als vegetariër, dat snap ik best.

Al bij al is het leven van een vegetariër best aangenaam. Ik mag autorijden, zwemmen en zelfs uit werken gaan. En verder eet ik waar ik zin in heb. Ik heb gewoon nooit zin in dier.

Het was dus wel een schok toen de tandarts, nadat hij een uur met allerlei instrumenten in mijn mond had zitten pulken, mij vertelde dat mijn tand niet meer te redden was. (Ok, dat op zich was niet echt een schok, eerder een opluchting dat ik bijna van de tandartsstoel mocht opstaan – nog een halfuur langer en ik was van de stoel geglibberd.) Het was vooral schrikken om de reden waarom mijn, nochtans mooie, witte tand hopeloos verloren was. Blijkt nu dat mijn lichaam mijn kies langzaam aan het opeten was.

Nadat mijn eerste gedachte (namelijk dat dit een cool verhaal was om te vertellen op café, bijna zo chic als E.’s Waargebeurd Verhaal over haar tweelingbroer die ze heeft opgegeten terwijl ze samen in de baarmoeder zaten) vervlogen was, werd ik plots erg teleurgesteld in mijn lichaam. Zit ik elke dag mijn best te doen geen levende wezens te eten die ooit door de wei hebben gedarteld, eet ik mezelf op! Ik dartel soms ook in een weide, hoor!

Voortaan zal ik me moeten voorstellen als vegetariër én kannibaal. Aangenaam.