Late shift. Collega/vriendinnetje-met-een-auto mocht eerder huiswaarts cruisen, dus was ik op de trein aangewezen. Tot ik daar ergens de woorden “Antwerpen”, “auto” en “nu” hoorde vallen. Collega W. zwaaide met zijn autosleutels om collega D. aan te sporen zijn spullen bij elkaar te zoeken. Mijn verleidelijkste glimlach kwam boven – alles om maar niet in een stinkende, trage laatavondtrein te moeten zitten.

Je werkt dan al meer dan een jaar met iemand samen en toch blijk je die persoon nog steeds niet helemaal te kennen. Ik had bijvoorbeeld nooit gedacht dat W. – stoere, sarcastische, bijna verzuurde W. – met een Kangoo zou rijden waarvan de ramen versierd zijn met olijke hondjes. De zeemzoete muziek in de auto was ook onverwacht. De enorme dobbelstenen aan de achteruitkijkspiegel en de ietwat ruwe rijstijl dan weer niet.

Het vervelende aan collega’s is dat gesprekken altijd over het werk lijken te gaan. En na een lange dag werken is het laatste waar ik zin in heb de hele dag opnieuw beleven in de vorm van een gesprek. Dus zat ik stilletjes op de achterbank terwijl W. en D. hun frustraties van zich af praatten.

Een halfuur eerder dan als ik met de trein gereisd zou hebben, kwam ik thuis aan. Trein-auto: 0-1.