Vrijdag. Een beetje onverwacht heb ik een goed gesprek met collega T. We zijn nog aan het werk, hebben een deadline, maar plots neemt T. de tijd om met mij over koetjes en kalfjes, concerten en muziek te praten. Leuk. Gezellig. Ik mag zelfs een cd van hem lenen tijdens het weekend.

Toch bekruipt me het gevoel dat hij iets van me moet. T. en ik praten wel, maar dan alleen als we beiden in de keuken van Het Bedrijf aan het eten zijn en er nog tien anderen rond de tafel zitten. Hij is diegene die steeds vlotte, maar cynische natrappen geeft. Grappig, maar soms net iets te scherp.

In de trein denk ik er nog even over na. Ben ik nu zelf gewoon zo verzuurd dat ik bij elk vriendelijk gesprek denk dat er iets meer achter schuilt? Kan ik niet gewoon blij zijn met een beetje sociaal contact met collega T.? Ik besluit dat ik niet zo achterdochtig moet zijn en geniet van het weekend.

Vandaag krijg ik een brief in de bus van Het Bedrijf. Het zijn sociale verkiezingen en we moeten een personeelsvertegenwoordiger aanduiden. En wie prijkt er op het lijstje, tussen negen andere namen?

Ik dacht dat ik volledig paranoïde was, maar het is dus echt. Sommige collega’s kunnen blijkbaar alleen met me praten als ze me nodig hebben.