Het meisje naast mij in de trein huilt. Ze heeft net een gesprek via de telefoon beëindigd en snottert nu haar zakdoek vol. Wat doe je als een wildvreemde zo verdrietig is? Moet je gewoon, zoals alle andere reizigers, je neus nog wat dieper in je krant of boek steken? Maar als ik haar aanspreek, zal ze het dan niet genant vinden? Zal ze nog harder beginnen te huilen? Of boos worden, zeggen dat ik mij niet moet bemoeien?

Ik twijfel. Breek mijn hoofd erover. Dan komt plots de conducteur langs. Blij met de afleiding toon ik braaf mijn abonnement. Zij geeft haar Go Pass. De conducteur bekijkt het ding nauwkeurig. “Dat is hier niet goed ingevuld, hé meiske!”, berispt hij haar. Ik zie haar schouders trillen. De conducteur gaat verder. “Ge moogt niks schrappen op de Go Pass! Maar allez, voor deze keer is het goed.” En weg is hij.

De tranen rollen nu langs haar wangen naar beneden. Voor ik het zelf besef, ligt mijn hand op haar arm. “Ge moogt het u zeker niet aantrekken”, hoor ik mezelf zeggen. Ze kijkt om, snuit haar neus, veegt haar tranen weg en we beginnen te praten. Over haar vriend die haar verjaardag vergeten is. En zij die speciaal voor hem naar het buitenland verhuisd is. Ik probeer haar op te vrolijken met een beetje goede raad (”even goed boos worden dan vergeet hij het volgend jaar zeker niet meer!”) en een paar anekdotes uit mijn eigen leven (want vergeten verjaardagen, daar kan ik ook van meespreken).

Ze kijkt al een beetje minder treurig. Ze lacht zelfs af en toe, maar ik weet plots niet meer wat zeggen zonder in herhaling te moeten vallen – of nog erger: in clichés te verzuipen. Dan krijgt ze telefoon van een vriendin en ik verdiep me weer in mijn krant. Ze is nu zo diep in gesprek dat ze niet opkijkt als ik opsta en de coupé verlaat.

Ik vraag me af of ik het een beetje goed gedaan heb. En of ik het de volgende keer weer zal durven.